Het is een eliteprobleempje, natuurlijk, de zoektocht naar een gymnasium. Maar hoe pak je zoiets aan in een stad waar elk jaar opnieuw 1 op de 5 leerlingen wordt uitgeloot?
Inschrijven op de school van eerste keuze (in 'ons' geval Het 4e Gymnasium) en bidden dat de notaris andere kind/oudercombinaties de pineut laat zijn? De loting vooraf al als overweging in de schoolkeuze opnemen en niet voor het 4e Gymnasium kiezen (vorig jaar 40 kinderen uitgeloot) maar in plaats daarvan inschrijven op het kakkineuze Vossius? (De open dag op die school was dan weliswaar een parade van brogues en opgevouwen tongen; ondertussen werden vorig jaar toch maar mooi alle kinderen geplaatst) Het Barlaeus zou natuurlijk ook nog kunnen, als noodstop halverwege; iets minder elitair dan het Vossius, iets minder uitlotingen dan het 4e Gymnasium, en, dat dan weer wel, met de Bulldog om de hoek. Of is het misschien maar het beste om, teneinde uitloting te voorkomen, niet voor een categoraal gymnasium te kiezen, en in plaats daarvan mijn dochter, bij wijze van konijn uit de hoge hoed, het Amsterdams Lyceum voor te houden (Jammer alleen van die matig georganiseerde open avond waarop dat gebouw, dat er van buiten prachtig uitziet, van binnen zo krap bleek, en zo bedompt, en, tja, een beetje stonk ook wel)?
De vragen roepen slechts meer vragen op. Zeker nadat ik begrijp dat het Amsterdams Lyceum vorig jaar ook 'gewoon' heeft geloot. En waarom was het op Het Amsterdams Lyceum eigenlijk zo druk tijdens die open avond? Moet ik die grote opkomst zien als teken van een al even grote kans op uitloting? Of is het juist omgekeerd en vormt de benauwende drukte van die avond juist een kans? En ligt het dan niet voor de hand dat ouders hun kinderen dan bij voorkeur elders inschrijven?
Bij nader inzien geldt voor inschrijving op het Vossius iets soortgelijks, maar dan precies omgekeerd. Dat het Vossius vorig jaar niet lootte, is tenslotte niet alleen aan mij bekend, maar aan al die pientere ouders van die pientere kindertjes.
Zoals natuurlijk ook het ridicule percentage uitlotingen vorig jaar op het 4e Gymnasium geen geheim is.
Moet ik misschien nog een stap verder gaan? Het percentage uitlotingen op het 4e Gymnasium zou kunnen betekenen dat er dit jaar minder inschrijvingen zijn. Dat is het meest voor de hand liggend, of tenminste de eerste gedachte. Maar evengoed zou het hoge percentage uitlotingen van vorig jaar kunnen betekenen dat er dit jaar even veel, of misschien nog meer inschrijvingen komen, doordat ouders als ik, in hun zoektocht naar de winnende formule, er en masse op anticiperen dat het aantal inschrijvingen na het echec van vorig jaar wel flink minder zal zijn. Of is zelfs dat nog te eenvoudig gedacht? Want waarom zou ik de enige zijn bij wie deze laatste overweging opkwam?
Een eliteprobleempje, kortom, er is in de wereld wel meer aan de hand.
Denkt ook de Gemeente Amsterdam, die zich de afgelopen jaren niet erg druk maakte. Terwijl de loting toch op twee manieren voor rechtsongelijkheid zorgt.
Kinderen die al een broertje of zusje op een school hebben hoeven op die school niet mee te loten, maar worden vanzelf geplaatst. In feite wordt hiermee het gezin en haar interne organisatie achteloos boven de rechten van het individu geplaatst. Een praktische overweging wordt gebruikt om een principe de nek om te draaien. Een praktisch argument dat bovendien niet op gaat. Volkomen onduidelijk is immers wat nu precies de praktische voordelen zijn die van het naar de zelfde school gaan van broer en zus: de ouderavond één keer per jaar? Samen naar school fietsen? Iedere ouder weet toch dat broertjes en zusjes daar niet over peinzen? Dat iemand anders twee of drie kinderen maakt kan hoe dan ook toch niet betekenen dat mijn enig kind naar een school van tweede of derde keuze moet omzien?
Rechtsongelijkheid is er ook doordat kinderen uit de wijde omgeving zich op Amsterdamse scholen mogen inschrijven, terwijl omgekeerd Amsterdamse kinderen door de scholen in die omgeving mogen worden buitengesloten of daar ieg tweede keus zijn. De kinderen van buiten Amsterdam die in Amsterdam meeloten en worden uitgeloot, hebben vervolgens in hun eigen dorpen en steden eerste keus. Maar de Amsterdamse kinderen die helaas, helaas, geen plekje wisten te bemachtigen op hun school van eerste keuze, zien zich vervolgens gedwongen een tweede lotingsronde in te gaan. Zonder overigens dat de kans groot is dat de gymnasia die ze als tweede, derde en vierde keuze opgaven daaraan meedoen. Want die hebben na de eerste ronde geen plaatsen meer te vergeven. Zodat de Amsterdamse gymnasiumklant die het ongeluk overkomt te zijn uitgeloot, zich kan opmaken voor een van die hoofdstedelijke onderwijsfabrieken waarvan de VWO-afdeling door de schoolinspectie het predicaat 'onvoldoende' op krijgt gestempeld, of anders toch gedwongen is elke dag weer de lange tocht naar een school helemaal aan de andere kant van de stad te ondernemen (is toch ook niet heel praktisch, ben je geneigd te denken).
Zo is het al jaren, en ondernomen wordt er niets.
Een zwartkijker zou nog gaan denken dat het ermee te maken heeft dat het sociaal-democratische stadsbestuur van oudsher nooit veel op had met het fenomeen gymnasium. Daar werden voorheen immers de uitbuiters van de brave arbeiders opgeleid.
Pffft
Er is wel meer aan de hand in de wereld. Natuurlijk. Maar misschien dat ik het momentum nu toch maar moet aangrijpen om mij definitief aan de stad te ontworstelen. Een boerderijtje onder de rook van Aalten, het Stedelijk Gymnasium te Doetinchem onder handbereik, ehm, wat was daar ook alweer mis mee?
zondag 31 januari 2010
zaterdag 9 januari 2010
Salazar - biografie

Gisteren in NRC-Boeken, hier uitgebreide bespreking.
Over António Oliveira Salazar (1889-1970), de dictator die tussen 1928 en 1968 Portugal met straffe hand regeerde, is de afgelopen jaren veel geschreven. In Portugal gaat geen maand voorbij of er verschijnt wel een boek met persoonlijke herinneringen. Gevoed door de nieuwsgierigheid van een jonge generatie die Salazar zelf nooit bewust meemaakte en de weemoed van een deel van de oudere generatie die het (democratische) politieke bedrijf in eigen land na Salazar steeds nadrukkelijker met misprijzen beziet, lijkt inmiddels sprake van een kentering in de Portugese Salazar-receptie. De dictator die, sinds de Anjerrevolutie van 1974 aan zijn regime een einde maakte, lang de personificatie van het kwaad was, werd in 2007 in een TV-verkiezing zelfs verkozen tot belangrijkste Portugees uit de geschiedenis. De publicaties rijgen zich aaneen, maar een wetenschappelijke biografie was er tot nu toe niet. Salazar – a political biography, van Filipe Ribeiro de Meneses (verbonden aan de universiteit van Dublin) beoogt die leemte te vullen.
Helemaal verwonderlijk is dat uitblijven van een biografie ook niet, stelt Ribeiro de Meneses in zijn inleiding. In de linkse jaren na 1974 overheerste in Portugal de structurele geschiedschrijving van de Annales-school. Aandacht voor belangrijke mannen was ondenkbaar. Bovendien zou een biografie van de man die Portugal zo lang in een ijzeren greep hield kunnen worden uitgelegd als een poging om de dictator te contextualiseren en te begrijpen, en dat was ongewenst en vooral ook, een belediging voor zijn slachtoffers.
Maar goed, de biografie is er nu en het moet gezegd, Ribeiro de Meneses heeft een indrukwekkend monnikenwerk verricht. Want het archief van Salazar is enorm. Niet alleen was Salazar bijna veertig jaar aan de macht, ook legde de dictator een grote werklust aan de dag, en had hij de gewoonte alles wat hij deed consequent vast te leggen. En dan waren er nog de vele diplomatieke bronnen en de memoires van vele tijdgenoten die Ribeiro de Meneses raadpleegde.
Ribeiro de Meneses’ doorworsteling van al dat papier levert een helder beeld op van de politieke machtsverhoudingen tijdens Salazar’s regime, binnen Portugal zo goed als tussen Portugal en de omringende wereld. We zien hoe de kersverse hoogleraar Salazar al snel na een militaire coup in 1926 door de coupplegers tot het ministersambt wordt geroepen om ’s lands desastreuze financiën op orde te brengen, en vervolgens als rechtlijnig minister van financiën – Balance the budget - binnen enkele jaren een machtspositie opbouwt, zonder echter dat hij ooit de absolute en machtige alleenheerser werd waar iedereen hem voor hield. Want dat is zonder meer een van de verrassende conclusies van de biografie. Salazar was zijn politieke leven lang een politiek evenwichtskunstenaar die, zelf zonder substantiële achterban, de macht altijd weer veilig moest stellen door de verschillende machtsgroepen in het land - de militairen, die onderling ook verdeeld waren, de katholieken, de republikeinen, de monarchisten - tegen elkaar uit te spelen. De macht van Salazar was een broze macht, aldus Ribeiro de Meneses.
Overtuigend is de biografie ook wanneer Ribeiro de Meneses stelt dat het regime van Salazar weliswaar een repressief karakter had – er was censuur, politieke tegenstanders werden zonder enige vorm van proces vastgezet en soms zelfs uit de weg geruimd; Salazar’s houding ten opzichte van dit soort excessen kan, zo blijkt, nog het best gekenmerkt worden als pragmatische desinteresse - maar dat dit nog niet betekent dat het regime ook fascistisch kan worden genoemd, zoals in de linkse jaren na de Anjerrevolutie gemeengoed was. In tegenstelling tot bij (andere) fascistische regimes die in het interbellum in Europa het licht zagen, kende het nationalisme en uiteindelijk ook de geweldsuitoefening door de staat in Salazar’s Estado Novo een ‘gematigd’ karakter en was de leider zelf toch vooral een intellectueel verdwaald in de politiek, een bureaucraat zonder een partij of beweging achter zich en met een uitgesproken hekel aan massabijeenkomsten. Salazar – een slecht spreker, met een zwakke stem - haatte openbare optredens, die hij als tijdverlies beschouwde; er was immers zoveel werk te doen! Door Salazar of zijn regime fascistisch te noemen, wordt het begrip fascisme opgerekt tot het punt waar het elke betekenis verliest, aldus de biograaf.
Salazar had zelfs een uitgesproken hekel aan de leiderscultus zoals die in Italië en Duitsland vorm kreeg. Maar dat betekende niet dat de persoon van Salazar zelf niet het onderwerp was van een zorgvuldig geconstrueerde mythologie. Salazar was van eenvoudige boerenafkomst, was zuinig en onkreukbaar, had een hekel aan de politiek, ambieerde het leiderschap niet, maar ervoer het juist als een opgave. Het liefst nam hij ontslag en trok hij zich terug in zijn geboortehuis in het landelijke Vimieiro, ware het niet dat het lot, dat de (goddelijke) voorzienigheid zelf hem had uitverkozen om het land bijeen te houden in het midden van de maelstrom van de tijd. Aldus de mythe, die in stelling werd gebracht telkens als de kritiek op Salazar’s bewind aanzwol. Ontelbaar zijn de keren dat Salazar in die veertig jaar met opstappen dreigde en zo binnen de regering, tegenover de militairen, zijn positie veiligstelde (Jullie weten, ik stap het liefst morgen nog op de trein terug naar Vimieiro!).
Terwijl Salazar in de loop der decennia zijn (katholieke) ideologische veren goeddeels van zich afschudde en zich in toenemende mate ontpopte als virtuoos Real-Politiker nam de kritiek op zijn Estado Novo slechts toe en, in direct verband daarmee, de repressie. In de jaren zestig kreeg zijn regime het aan de stok met een generatie die zich niet meer herinnerde hoe Salazar het land in de jaren twintig en dertig uit de financiële chaos had gered, of hoe hij als politiek duivelskunstenaar zijn land ongeschonden door de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog had geloodst. De jonge generatie zag slechts dat het regime was vastgelopen. Portugal was in hopeloze koloniale oorlogen verwikkeld geraakt – oorlogen bovendien die door de internationale gemeenschap scherp werden afgekeurd - en de economie stond er slecht voor, zo slecht zelfs dat tussen 1964 en 1973 bijna een miljoen Portugezen emigreerden om de armoede op het platteland te ontvluchten. Salazar, die begin jaren zestig de zeventig al was gepasseerd, raakte zelf ook steeds verder geïsoleerd; van de groep mensen met wie hij aan de macht kwam, onder wie hij zijn ministers koos, zijn netwerk in Coimbra - bijna iedereen was met pensioen of dood - , en ook van de wereld om hem heen, die maar niet wilde inzien dat zijn verdediging van het koloniale imperium een heilige missie was, waarbij de beschaving zelf op het spel stond. Zoals hij in 1961 in een toespraak zei: ‘Everything is turning upside down in the world; the aggressors have become the well-deserving; those who defend themaselves are the criminals; states which are aware of their duties and trying to keep order in their territories are incriminated by those who foment disorder.’ Is het heel vergezocht om hierin een echo van Donne’s ‘T’is all in pieces, all coherence gone’ te horen?
Salazar zou nog zeven jaar aan de macht blijven. In de zomer van 1968 laat hij zich, terwijl hij staand de krant leest, hard achterover vallen in een stoel (een regisseursstoel, zo wil het mooie detail), die vervolgens omvalt (of er zelfs helemaal niet stond, zo wil een nog mooiere variant, waarin de nieuwe werkster de stoel heeft verplaatst), waarna de dictator hard met het hoofd op de marmeren vloer terecht komt. De gevolgen van de val zou hij nooit meer helemaal te boven komen.
Salazar- A Political Biography is een indrukwekkende poging het politieke fenomeen Salazar te duiden, maar betekent dit ook dat het dus een geslaagde biografie is? Over de aard van het regime en de rol van Salazar daarbinnen is de lezer na de 644 dichtbedrukte pagina’s een boel wijzer geworden, en voor de geïnteresseerden in het politieke en diplomatieke handwerk is er genoeg te vinden, maar voor de mens Salazar reserveert de biograaf toch wel erg weinig ruimte. Het begint er al mee dat de jeugd er zo’n beetje doorheen wordt gejast. Na 9 van de 644 pagina’s zit Salazar al op de universiteit in Coimbra. Nog geen 20 pagina’s verder wordt hij ingezworen als minister. Iets soortgelijks geldt voor zijn laatste jaren.
De vraag is of dat, ook voor een nadrukkelijk als politieke biografie gepresenteerde levensbeschrijving, genoeg is. Vooral ook omdat Salazar’s regime een persoonlijke dictatuur was en Salazar’s persoon onlosmakelijk onderdeel vormde van de mythologie van datzelfde regime. In de biografie vinden we vrijwel niets over allerlei ongerijmdheden in Salazar’s persoonlijke leven die de biografie over de politicus Salazar niet alleen hadden kunnen verrijken, maar zijn politieke handelen hier en daar wellicht toch ook van een extra dimensie hadden kunnen voorzien.
Over het geheime liefdesleven van Salazar - de eeuwige vrijgezel van wie de mythe wilde dat hij met zijn land was getrouwd - lezen we vrijwel niets (de liefdesgedichten die Salazar als jongeling op het seminarie schreef blijven ongenoemd), zomin als over Salazar’s geloof in horoscopen (die elke week voor hem werden getrokken). Vrijwel niets ook over het toch wonderlijke huishouden dat Salazar erop nahield, met twee jonge meisjes die niet zijn dochters waren en de even raadselachtige als dominante gouvernante Dona Maria. Dat Salazar zich vanaf de jaren zestig als beschermer van het Portugese overzeese imperium opwierp maar diezelfde koloniën zelf nooit bezocht - hij zette zelfs nooit een voet buiten Portugal - wordt in een enkele zin afgedaan. De bijzondere relatie met zijn moeder wordt niet uitgewerkt (negen nachten achtereen staat hij aan haar doodsbed, schrijft een van zijn zusters, tot zijn voeten zodanig zijn opgezwollen dat hij uiteindelijk nauwelijks in staat is de begrafenis bij te wonen: ‘the tender words with which he cared for her did not belong to this world and made us cry.’). Het steeds terugkerende gevecht van Salazar met depressies en slapeloosheid wordt een paar keer genoemd, en laat de lezer, zoals bij die andere ongerijmdheden, toch met vragen achter.
Onduidelijk blijft wat de rol van zijn eenvoudige afkomst is geweest in zijn latere politieke leven. En zo is na lezing van de biografie toch niet helemaal helder hoe Salazar, die van eenvoudige komaf was, in een toch redelijk gesloten Portugese standenmaatschappij in korte tijd zo hoog kon stijgen. Te verwijzen naar zijn uitzonderlijke intellectuele gaven en academische prestaties is dan niet voldoende. Dat hij überhaupt op die universiteit terecht kwam is al een raadsel, ook al genoot hij dan de bescherming van een rijke landheer uit zijn geboortedorp. Deze vraag noopt des te meer aangezien in de biografie verder steeds naar voren komt dat het Salazar ten enen male aan charisma ontbrak, en de dictator zelfs een beetje stijve man was, afstandelijk en ronduit ongemakkelijk in de omgang met vreemden (Ribeiro de Meneses citeert in dit verband de memoires van Spanje’s ambassadeur toen deze in Lissabon in 1936 voor het eerst een bezoek aan Salazar bracht: ‘He sits behind a desk cleared of all papers, and I am placed on a chair on the left side of the desk. I have before me the dictator of the Portugues people, although few would have believed it. No trace betrays a man of action. Everything about him is inexpressive, including his face, his gestures, and the tone of his voice.’). En zelfs wordt niet helemaal bevredigend beantwoord waarom Salazar, die tijdens zijn regime zo vaak aangaf de politiek een hel te vinden, zo hardnekkig aan de macht bleef gekluisterd. Zat er dan toch een kern van waarheid in die mythe en zag Salazar het leidersschap als iets dat hij verfoeide, als een van hogerhand voorbestemd lot dat hij te dragen had, of ging het toch vooral, en in weerwil van die mythe, om blinde ambitie en machtsdrift? In zijn conclusie beweert Ribeiro de Meneses dat beide een rol spelen. Het een sluit het ander niet, stelt hij, en dat is ongetwijfeld juist. Maar door deze conclusie te trekken, roept Ribeiro de Meneses onwillekeurig meer vragen op; vragen die zich concentreren op datgene wat hij in zijn biografie juist zoveel mogelijk uit de weg gaat: Salazar’s innerlijke wereld en psyche.
Met Salazar – A political biography heeft Ribeiro de Meneses een indrukwekkende poging gedaan het raadsel van de langstzittende machthebber in het Europa van de vorige eeuw te duiden. De definitieve Salazar-biografie echter is het zeker nog niet.
donderdag 10 december 2009
Interview Jutta Chorus - Afri
Wie stiekem nog hoopte dat het met de multi-culturele samenleving vanzelf ooit goed zou komen weet na het lezen van Afri – leven in een migrantenwijk wel beter. Journaliste Jutta Chorus liep anderhalf jaar rond in de Afrikaanderwijk in Rotterdam, een van die Prachtwijken waar het percentage allochtonen meer dan 80% of meer bedraagt en volgde daar een Turkse, een Marokkaanse en een Nederlandse familie. Ze zit aan bij familieberaad, gaat op pad met de wijkagenten en noteert, het opschrijfboekje in de hand, wat wordt gezegd. Het resultaat is een ontluisterend inkijkje in het leven aan de onderkant. Binnen de Turkse en Marokkaanse families in Afri heeft vrijwel iedereen een uitkering. Studie of school worden zelden afgemaakt. Geweld en bedreiging – binnen families, tegenover buren of politie - zijn de gewoonste zaak van de wereld. De 20% autochtonen intussen die nooit uit Afri vertrokken, zijn ziek of gaan gebukt onder psychische stoornissen. Dalrymple in de polder kortom – Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt?
Chorus: Er staat natuurlijk veel ellende in, veel onvermogen van mensen, maar ik heb ook sprankjes hoop gezien. Ik weet niet of het genoeg is. Sommige mensen in het boek ontworstelen zich aan de sociale controle van hun familie, zorgen dat ze een goede opleiding krijgen, maken carrière. Daar is veel moed voor nodig. Hetzelfde geldt voor de politieagenten, de wijkagenten. Die mensen hebben echt effect. In de bloei van hun leven investeren ze lange jaren in zo’n wijk, geven daarbij een deel van hun privé-leven op. Sommigen hebben al jaren geen oud en nieuw met hun gezin kunnen vieren omdat ze dan altijd op het plein moeten zijn om de boel in goede banen te leiden. Ze doen alles om die jongens bij de samenleving te betrekken; ze straffen wanneer het moet, ze stimuleren waar mogelijk, en ze geven ook echt kansen; kansen die soms gegrepen worden.
Opmerkelijk is dat de koran en het geloof vrijwel geen rol lijken te spelen.
Chorus: Ik heb me daar zelf ook over verbaasd. Die straatjongens gingen nauwelijks naar de moskee. In de moskee op het plein kwamen vooral oudere mannen. Ook tijdens de Ramadan bleven de meeste jongens gewoon thuis. De sociale controle en dwang binnen families is veel belangrijker. Schaamte en eer bepalen het handelen. Zeker voor die eerste generatie. De tweede generatie lijdt daaronder.
Maar die tweede generatie doet toch vrolijk mee? In het boek is de pas 24-jarige Osman de pater familias van de Turkse familie. Hij is het die bepaalt hoe de vrouwen in de familie zich moeten gedragen, of zijn zus mag trouwen.
Chorus: Ze doen er aan mee, maar dat neemt nog niet dat je er niet door beschadigd kan zijn. Het is onvermogen. Wie er afstand van neemt, riskeert een breuk met de familie. Daar is grote moed voor nodig. Je goede naam staat op het spel. Eer is alles.
Hoe kwam je eigenlijk bij deze families terecht?
Chorus: Ik had twee eisen; ik wilde namen kunnen gebruiken, en ik wilde de mensen kunnen laten zien zoals ze echt leven. Het kost nogal wat tijd om geschikte families te vinden. Aanvankelijk had ik een andere familie, maar daarvan merkte ik dat ze na drie afspraken eigenlijk wel waren uitgepraat. Een andere familie wilde niet met hun naam in het boek. Bij de Turkse familie die ik uiteindelijk vond had ik ook het geluk dat een van de jongens, Osman, precies op het moment dat ik met mijn onderzoek begon een snackbar opende op het plein. Die hele familie zat daar de hele dag. Osman’s vrienden kwamen er aangelopen, zo raakte ik overal binnen.
Die snackbar is een poging Osman op het rechte pad te krijgen. Zijn familie biedt hem een kans, maar dat lukt dan toch weer niet.
Chorus: Ja, de vrienden met wie hij voorheen een bende vormde, komen weer in de snackbar. Vanwege zijn strafblad kreeg hij geen horecavergunning - die vergunning moest dus van een neef komen -, waardoor Osman zelf er maar 16 uur mocht werken en hij te weinig verdiende. En hij kon het ook gewoon niet zo goed. Hij had geen enkele opleiding. Hij deed maar wat. Hij heeft waarschijnlijk van iemand vet leren smelten of zo. Ik heb daar een jaar lang gegeten en dat is me niet echt goed bekomen.
Een voedselvergiftiging?
Chorus: Nou, dat ook weer niet, maar het was vaak niet echt goed doorbakken. Je wist ook nooit hoe lang dat schaap daar eigenlijk al aan die grill hing.
Osman en zijn vrienden verzetten zich tegen alles wat met Nederland te maken heeft, en zien daarbij Montana en Michael Corleone als hun helden. Hoe zit dat?
Chorus: De Godfather is op de lange termijn misschien niet altijd succesvol, en ook met Tony Montana loopt het slecht af, maar voor zolang als het duurt heb je dan toch die grote auto en het aanzien. Het is ook de verheerlijking van verzet. Al wonen ze dan in een beroerde wijk, ze hebben wel hun eer. Het is een soort ghettoromantiek. Daarom hebben ze ook dit soort figuren nodig. Ze duiken een fantasiewereld in en dat leidt tot lege misdaadschappen in de videotheken. Al dat soort films was voortdurend uitgeleend of gestolen; niet porno, maar de Godfather. Ze imiteren ook de gebaartjes van Michael Corleone. Ze laten hun stem iets zakken enzo.
Wat opvalt is dat Osman en zijn vrienden eigenlijk nooit toegeven dat ze iets fout hebben gedaan. In het boek citeer je een Arabisch spreekwoord: Een zonde in het verborgene is voor tweederde vergeven. Is het daarom dat die jongens geconfronteerd met hun eigen fouten glashard ontkennen, terwijl ze weten dat iedereen weet wat ze hebben gedaan?
Chorus: In Nederland zijn we heel erg gewend dat je kinderen opvoedt vanuit het principe dat het belangrijk is om te zeggen dat je het gedaan hebt dan dat je het verzwijgt. Ouders delen vaak zelfs geen straf als kinderen maar zeggen wat ze hebben gedaan. Uit recent onderzoek blijkt ook dat wanneer ouders hun kinderen die ruimte niet geven; wanneer kinderen niet worden gestimuleerd om toe te geven dat ze iets fout hebben gedaan, die kinderen agressiever worden, en zelf gaan liegen. Gezichtsverlies en eer is alles. In die Turkse en Marokkaanse families is daarom ruimte om te liegen. En waarom zou je dan tegenover de politie of voor de rechter de waarheid spreken als je dat binnen je eigen familie al niet hoeft te doen? Ik denk dat als je echt Nederlanders wilt maken van die tweede generatie, dan hoort daar toch bij dat je schuld bekent. Dat wordt gewaardeerd. Dat hoort bij onze cultuur, vormt de grond onder onze rechtscultuur.
In het boek word je uiteindelijk van buitenstaander betrokkene.
Ja, je krijgt een telefoon in je hand gedrukt, er staan berichten op je voicemail, het is nog geen vriendschap, maar toch. Ik heb een van die mensen een beetje geholpen, een advocaat gewezen, omdat ik het zo onrechtvaardig vond wat er op een gegeven moment gebeurde. Je ontkomt je er niet aan dat je iemand anders wordt, en dan is het tijd om op te stappen.
Ben je later nog teruggegaan? Waren ze blij met je boek?De mensen in je boek geven zich nogal bloot.
Chorus: Ik kom er nog steeds, maar zonder opschrijfboekje. En nadat het boek uitkwam ben ik gelijk met een stapel boeken de wijk in gegaan. Dat was niet gemakkelijk. Die jongens op straat schamen zich toch ook een beetje voor het uitzichtloze in het boek. De publicatie zelf ging me evenmin licht af, al stonden die families er achter, en wisten ze wat er in het boek stond. De reacties waren uiteindelijk vooral positief, zo van: eindelijk wordt er ook over Rotterdam-Zuid geschreven, voor het eerst wordt het leed tenminste zichtbaar. De werkelijkheid wordt niet genoeg gekend. Dat is het probleem. Daar stoor ik me aan; aan die politieke impasse in Nederland, waarin rechts steeds rechtser wordt en links blijft hangen in politiek correcte standpunten, terwijl intussen gewoon nog onvoldoende bekend is wat er bij de mensen thuis achter de voordeur plaatsvindt. En dat zou toch het begin moeten zijn; dat je weet waar je het over hebt voordat je aan oplossingen begint te denken. Het zou mooi zijn als dit boek daar een kleine bijdrage aan levert.
interview gepubliceerd in VPRO-gids, 10 december 2009
Chorus: Er staat natuurlijk veel ellende in, veel onvermogen van mensen, maar ik heb ook sprankjes hoop gezien. Ik weet niet of het genoeg is. Sommige mensen in het boek ontworstelen zich aan de sociale controle van hun familie, zorgen dat ze een goede opleiding krijgen, maken carrière. Daar is veel moed voor nodig. Hetzelfde geldt voor de politieagenten, de wijkagenten. Die mensen hebben echt effect. In de bloei van hun leven investeren ze lange jaren in zo’n wijk, geven daarbij een deel van hun privé-leven op. Sommigen hebben al jaren geen oud en nieuw met hun gezin kunnen vieren omdat ze dan altijd op het plein moeten zijn om de boel in goede banen te leiden. Ze doen alles om die jongens bij de samenleving te betrekken; ze straffen wanneer het moet, ze stimuleren waar mogelijk, en ze geven ook echt kansen; kansen die soms gegrepen worden.
Opmerkelijk is dat de koran en het geloof vrijwel geen rol lijken te spelen.
Chorus: Ik heb me daar zelf ook over verbaasd. Die straatjongens gingen nauwelijks naar de moskee. In de moskee op het plein kwamen vooral oudere mannen. Ook tijdens de Ramadan bleven de meeste jongens gewoon thuis. De sociale controle en dwang binnen families is veel belangrijker. Schaamte en eer bepalen het handelen. Zeker voor die eerste generatie. De tweede generatie lijdt daaronder.
Maar die tweede generatie doet toch vrolijk mee? In het boek is de pas 24-jarige Osman de pater familias van de Turkse familie. Hij is het die bepaalt hoe de vrouwen in de familie zich moeten gedragen, of zijn zus mag trouwen.
Chorus: Ze doen er aan mee, maar dat neemt nog niet dat je er niet door beschadigd kan zijn. Het is onvermogen. Wie er afstand van neemt, riskeert een breuk met de familie. Daar is grote moed voor nodig. Je goede naam staat op het spel. Eer is alles.
Hoe kwam je eigenlijk bij deze families terecht?
Chorus: Ik had twee eisen; ik wilde namen kunnen gebruiken, en ik wilde de mensen kunnen laten zien zoals ze echt leven. Het kost nogal wat tijd om geschikte families te vinden. Aanvankelijk had ik een andere familie, maar daarvan merkte ik dat ze na drie afspraken eigenlijk wel waren uitgepraat. Een andere familie wilde niet met hun naam in het boek. Bij de Turkse familie die ik uiteindelijk vond had ik ook het geluk dat een van de jongens, Osman, precies op het moment dat ik met mijn onderzoek begon een snackbar opende op het plein. Die hele familie zat daar de hele dag. Osman’s vrienden kwamen er aangelopen, zo raakte ik overal binnen.
Die snackbar is een poging Osman op het rechte pad te krijgen. Zijn familie biedt hem een kans, maar dat lukt dan toch weer niet.
Chorus: Ja, de vrienden met wie hij voorheen een bende vormde, komen weer in de snackbar. Vanwege zijn strafblad kreeg hij geen horecavergunning - die vergunning moest dus van een neef komen -, waardoor Osman zelf er maar 16 uur mocht werken en hij te weinig verdiende. En hij kon het ook gewoon niet zo goed. Hij had geen enkele opleiding. Hij deed maar wat. Hij heeft waarschijnlijk van iemand vet leren smelten of zo. Ik heb daar een jaar lang gegeten en dat is me niet echt goed bekomen.
Een voedselvergiftiging?
Chorus: Nou, dat ook weer niet, maar het was vaak niet echt goed doorbakken. Je wist ook nooit hoe lang dat schaap daar eigenlijk al aan die grill hing.
Osman en zijn vrienden verzetten zich tegen alles wat met Nederland te maken heeft, en zien daarbij Montana en Michael Corleone als hun helden. Hoe zit dat?
Chorus: De Godfather is op de lange termijn misschien niet altijd succesvol, en ook met Tony Montana loopt het slecht af, maar voor zolang als het duurt heb je dan toch die grote auto en het aanzien. Het is ook de verheerlijking van verzet. Al wonen ze dan in een beroerde wijk, ze hebben wel hun eer. Het is een soort ghettoromantiek. Daarom hebben ze ook dit soort figuren nodig. Ze duiken een fantasiewereld in en dat leidt tot lege misdaadschappen in de videotheken. Al dat soort films was voortdurend uitgeleend of gestolen; niet porno, maar de Godfather. Ze imiteren ook de gebaartjes van Michael Corleone. Ze laten hun stem iets zakken enzo.
Wat opvalt is dat Osman en zijn vrienden eigenlijk nooit toegeven dat ze iets fout hebben gedaan. In het boek citeer je een Arabisch spreekwoord: Een zonde in het verborgene is voor tweederde vergeven. Is het daarom dat die jongens geconfronteerd met hun eigen fouten glashard ontkennen, terwijl ze weten dat iedereen weet wat ze hebben gedaan?
Chorus: In Nederland zijn we heel erg gewend dat je kinderen opvoedt vanuit het principe dat het belangrijk is om te zeggen dat je het gedaan hebt dan dat je het verzwijgt. Ouders delen vaak zelfs geen straf als kinderen maar zeggen wat ze hebben gedaan. Uit recent onderzoek blijkt ook dat wanneer ouders hun kinderen die ruimte niet geven; wanneer kinderen niet worden gestimuleerd om toe te geven dat ze iets fout hebben gedaan, die kinderen agressiever worden, en zelf gaan liegen. Gezichtsverlies en eer is alles. In die Turkse en Marokkaanse families is daarom ruimte om te liegen. En waarom zou je dan tegenover de politie of voor de rechter de waarheid spreken als je dat binnen je eigen familie al niet hoeft te doen? Ik denk dat als je echt Nederlanders wilt maken van die tweede generatie, dan hoort daar toch bij dat je schuld bekent. Dat wordt gewaardeerd. Dat hoort bij onze cultuur, vormt de grond onder onze rechtscultuur.
In het boek word je uiteindelijk van buitenstaander betrokkene.
Ja, je krijgt een telefoon in je hand gedrukt, er staan berichten op je voicemail, het is nog geen vriendschap, maar toch. Ik heb een van die mensen een beetje geholpen, een advocaat gewezen, omdat ik het zo onrechtvaardig vond wat er op een gegeven moment gebeurde. Je ontkomt je er niet aan dat je iemand anders wordt, en dan is het tijd om op te stappen.
Ben je later nog teruggegaan? Waren ze blij met je boek?De mensen in je boek geven zich nogal bloot.
Chorus: Ik kom er nog steeds, maar zonder opschrijfboekje. En nadat het boek uitkwam ben ik gelijk met een stapel boeken de wijk in gegaan. Dat was niet gemakkelijk. Die jongens op straat schamen zich toch ook een beetje voor het uitzichtloze in het boek. De publicatie zelf ging me evenmin licht af, al stonden die families er achter, en wisten ze wat er in het boek stond. De reacties waren uiteindelijk vooral positief, zo van: eindelijk wordt er ook over Rotterdam-Zuid geschreven, voor het eerst wordt het leed tenminste zichtbaar. De werkelijkheid wordt niet genoeg gekend. Dat is het probleem. Daar stoor ik me aan; aan die politieke impasse in Nederland, waarin rechts steeds rechtser wordt en links blijft hangen in politiek correcte standpunten, terwijl intussen gewoon nog onvoldoende bekend is wat er bij de mensen thuis achter de voordeur plaatsvindt. En dat zou toch het begin moeten zijn; dat je weet waar je het over hebt voordat je aan oplossingen begint te denken. Het zou mooi zijn als dit boek daar een kleine bijdrage aan levert.
interview gepubliceerd in VPRO-gids, 10 december 2009
vrijdag 30 oktober 2009
Het Breed (de beroemde flatwijk van architect Frans van Gool,
in Amsterdam, Noord).

De krassen op het negatief suggereren dat iemand
onzorgvuldig was; dat dit negatief ooit uit een doos
viel, tussen andere rommel terechtkwam, tussen de
strandschepjes van de kinderen wellicht, zodat de
zandkorrels zich met vlijmscherp genoegen in de emulsielaag
nestelden. De kleuren zijn mooi, bijna Technicolor, maar de
drie mannen, die strak in het gelid lopen, hebben daar geen
weet van. Donkere pakken dragen ze. Ze zijn, alweer zonder
het te weten (dat moeten we tenminste maar aannemen), 'voor
de gelegenheid gekleed' (als in: ‘Hij lag er keurig bij’). De
voorste houdt zich nog vast aan de railing, maar weet ergens
ook al wel dat hij net zo goed los kan laten. Dat, zodra ze
eenmaal de hoek om zijn, en uit beeld verdwijnen, ze een
wereld betreden waar railingen alle betekenis verliezen
(als er al railingen zijn; hierover zijn de meningen verdeeld).
in Amsterdam, Noord).

De krassen op het negatief suggereren dat iemand
onzorgvuldig was; dat dit negatief ooit uit een doos
viel, tussen andere rommel terechtkwam, tussen de
strandschepjes van de kinderen wellicht, zodat de
zandkorrels zich met vlijmscherp genoegen in de emulsielaag
nestelden. De kleuren zijn mooi, bijna Technicolor, maar de
drie mannen, die strak in het gelid lopen, hebben daar geen
weet van. Donkere pakken dragen ze. Ze zijn, alweer zonder
het te weten (dat moeten we tenminste maar aannemen), 'voor
de gelegenheid gekleed' (als in: ‘Hij lag er keurig bij’). De
voorste houdt zich nog vast aan de railing, maar weet ergens
ook al wel dat hij net zo goed los kan laten. Dat, zodra ze
eenmaal de hoek om zijn, en uit beeld verdwijnen, ze een
wereld betreden waar railingen alle betekenis verliezen
(als er al railingen zijn; hierover zijn de meningen verdeeld).
woensdag 30 september 2009
Help, er zit een gat in de democratie
Afgelopen weekeinde verkiezingen in Duitsland en Portugal. Zie hier de opkomstpercentages door de jaren heen.
Duitsland:
2009: 70,8
2005: 77,7
2002: 79,1
1998: 82,3
1994: 79,0
1990: 77,8
1987: 84,3
1983: 89,1
1980: 88,6
1976: 90,7
1972: 91,1
Portugal
2009: 60,6 (1,75% blanco)
2005: 65,0
2002: 61,5
1999: 61,8
1995: 67
1991: 68,0
1987: 78,0
1983: 77,8
1980: 83,9
1979: 82,8
1976: 83,5
1975: 91
Duitsland:
2009: 70,8
2005: 77,7
2002: 79,1
1998: 82,3
1994: 79,0
1990: 77,8
1987: 84,3
1983: 89,1
1980: 88,6
1976: 90,7
1972: 91,1
Portugal
2009: 60,6 (1,75% blanco)
2005: 65,0
2002: 61,5
1999: 61,8
1995: 67
1991: 68,0
1987: 78,0
1983: 77,8
1980: 83,9
1979: 82,8
1976: 83,5
1975: 91
dinsdag 22 september 2009
Donald Barthelme and Jan Jongbloed
Some weeks ago I wrote (in a review of Tracy Daugherty’s recent biography of Donald Barthelme for NRC-Handelsblad) the following sentences: ‘In the Netherlands Barthelme somehow never managed to become very popular. This in spite of the fact that he was perhaps the only foreign writer ever to include in his fiction a number of Dutch soccerplayers (in the story ‘Concerning the Bodyguard’, two bodyguards discuss the replacement of ‘Dutch goalkeeper Piet Schrijvers’ by ‘the brave Jan Jongbloed’ in the soccergame between the Netherlands and Peru during the Worldcup of 1978).'

Piet Schrijvers and Jan Jongbloed. Whatever happened to those old heroes, I couldn’t help but wonder for a moment. But, to be honest, I had already forgotten about them when, yesterday morning I entered the farmacy around the corner. The customer in front of me was a strongly built man with grey hair and remarkable fingers; never in my life had I seen fingers that big, that... ‘Meaty’.
Mmm, what a familiar face, I thought, when at some point he turned around. It couldn’t be, could it? I tried to catch another glimpse of that face that was somehow so well-known to me. A face that hadn’t changed that much over the years. Finally I stepped forward: ‘Sir, may I ask you something... you have such a familiar face...’ The man smiled and turned to the girls behind the counter: ‘Ah well, I have been coming in here for so many years now, haven’t I girls? Everyone here knows me.’ That voice. As if no time had passed since the seventies. I couldn’t be mistaken. ‘You are Jan Jongbloed aren’t you?’ He nodded, that was him alright. And as the girl behind the counter handed him his pills, I told the once famous goalkeeper about the curious coincidence that I should meet him here, at this moment, just around the corner from where I live, when I had just finished writing a review in which I mentioned this American writer, and the soccergame between the Netherlands and Peru, back in 1978, and the replacement of Piet Schrijvers by himself, Jan Jongbloed, due to a terrible attack of one of the Peruvians. Jongbloed smiled, then said: ‘It happened alright, but not in the game against Peru. It was against Italy, in Cordoba it was, in the twentieth minute, and indeed it was some foul, but Piet had a part in it too, he could have avoided it.’ After that we chatted for some more time, pills and stuff in our hands, and then I said goodbye, too flabbergasted even to think about making a snapshot. Anyhow, some important conclusions can be drawn:
1) Jan Jongbloed was, until this week that is, unaware of the existence of Donald Barthelme, and thus unaware of his role in the story ‘Concerning the Bodyguard’
2) In his story ‘Concerning the Bodyguard’ Barthelme has Piet Schrijvers being replaced by Jan Jongbloed during the soccergame between Peru and the Netherlands during the World Cup of 1978. In reality it was during the game against Italy that Jongbloed replaced Schrijvers (after 20 minutes)
3) Piet Schrijvers himself was partly to blame for what happened.
4) Jan Jongbloed is still alive and looks very healthy (and, a small detail, he has big, meaty fingers, which, in retrospect, gives extra significance to his much cited remark, during that same World Cup of 1978, that he played without gloves because otherwise he wasn’t able to ‘feel’ the ball).

Piet Schrijvers and Jan Jongbloed. Whatever happened to those old heroes, I couldn’t help but wonder for a moment. But, to be honest, I had already forgotten about them when, yesterday morning I entered the farmacy around the corner. The customer in front of me was a strongly built man with grey hair and remarkable fingers; never in my life had I seen fingers that big, that... ‘Meaty’.
Mmm, what a familiar face, I thought, when at some point he turned around. It couldn’t be, could it? I tried to catch another glimpse of that face that was somehow so well-known to me. A face that hadn’t changed that much over the years. Finally I stepped forward: ‘Sir, may I ask you something... you have such a familiar face...’ The man smiled and turned to the girls behind the counter: ‘Ah well, I have been coming in here for so many years now, haven’t I girls? Everyone here knows me.’ That voice. As if no time had passed since the seventies. I couldn’t be mistaken. ‘You are Jan Jongbloed aren’t you?’ He nodded, that was him alright. And as the girl behind the counter handed him his pills, I told the once famous goalkeeper about the curious coincidence that I should meet him here, at this moment, just around the corner from where I live, when I had just finished writing a review in which I mentioned this American writer, and the soccergame between the Netherlands and Peru, back in 1978, and the replacement of Piet Schrijvers by himself, Jan Jongbloed, due to a terrible attack of one of the Peruvians. Jongbloed smiled, then said: ‘It happened alright, but not in the game against Peru. It was against Italy, in Cordoba it was, in the twentieth minute, and indeed it was some foul, but Piet had a part in it too, he could have avoided it.’ After that we chatted for some more time, pills and stuff in our hands, and then I said goodbye, too flabbergasted even to think about making a snapshot. Anyhow, some important conclusions can be drawn:
1) Jan Jongbloed was, until this week that is, unaware of the existence of Donald Barthelme, and thus unaware of his role in the story ‘Concerning the Bodyguard’
2) In his story ‘Concerning the Bodyguard’ Barthelme has Piet Schrijvers being replaced by Jan Jongbloed during the soccergame between Peru and the Netherlands during the World Cup of 1978. In reality it was during the game against Italy that Jongbloed replaced Schrijvers (after 20 minutes)
3) Piet Schrijvers himself was partly to blame for what happened.
4) Jan Jongbloed is still alive and looks very healthy (and, a small detail, he has big, meaty fingers, which, in retrospect, gives extra significance to his much cited remark, during that same World Cup of 1978, that he played without gloves because otherwise he wasn’t able to ‘feel’ the ball).
woensdag 9 september 2009
Barrateira
De taberna van Barrateira was een hokje van drie bij drie meter waar je Ginja (eens soort kersenlikeur) kon krijgen, en wijn van het land even verderop, goedkoop, als voor de geef. De allerarmste ploeteraars liepen er de hele dag door binnen, voor hartversterkertjes, of gewoon voor het onderhouden van de eigen beschonken staat (voorzover daar verschil tussen bestond). Barrateira trouwde tegen alle regels in op latere leeftijd voor een tweede keer – ze was toen al bijna tachtig -, en zag ook deze echtgenoot sterven. En steeds bleven haar ogen stralen, al viel er de laatste tijd soms ook iets dofs in te zien. Maar dat kan staar zijn geweest.
Abonneren op:
Posts (Atom)
