donderdag 2 juli 2009

zelfplakzolen

Wie de wereld om zich heen wil doorgronden, moet op de kleine dingen letten. Vergeet die maatschappij-analyse uit de zaterdagkrant. Probeer in plaats daarvan liever eens oude schoenen van nieuwe zolen en hakken te voorzien.













Dit zijn mijn Van Lier-schoenen. Vijftien jaar oud inmiddels en behoorlijk toegetakeld. Het leer is gebarsten en hier en daar zelfs gescheurd (niets overigens dat niet met een eenvoudige fietsplakker kan worden verholpen). Maar ze zitten nog goed. Wel werd het zo langzamerhand tijd voor nieuwe zolen en hakken. Nu zou ik naar de schoenmaker kunnen gaan. Maar die berekent voor zo'n klusje meer dan dertig euro. En dat is bijna net zoveel als de schoenen vijftien jaar geleden kostten. Dan kon ik beter even langs de HEMA gaan om daar een paar van die opplakzolen en een tubetje lijm te kopen. Dacht ik. Maar de kassajuffrouw keek me zelfs een beetje laatdunkend aan toen ik na een kwartier vergeefs ronddwalen mijn beklag kwam doen: ' Die zijn al jaren uit het assortiment meneer.' De HEMA; geen plakzolen! Later die dag belde ik de Praxis en stapte ik de Kwantum binnen. Zonder resultaat. Plakzolen (of, preciezer wellicht: 'zelfplakzolen') zijn nergens meer te krijgen. Conclusie? Een dure schoen wordt door een enkeling nog wel langs de schoenmaker gebracht, maar de bulk van het schoeisel komt aan een tweede zool (een tweede leven) simpelweg niet meer toe. Voor het zover is (of als het zover is), wordt de schoen weggeflikkerd en ingeruild voor een nieuw model. Trefwoorden: welvaart, wegwerpmaatschappij, China, duurzaamheid, nieuw is beter, etc. (en zie verder de maatschappij-analyse uit de zaterdagkrant).













Overigens is er ook goed nieuws te melden. Sinds kort is er een webwinkel - http://schoenzolen.biedmeer.nl - die op bestelling schoenzolen en -hakken door heel Nederland verstuurd. Voor onder het tientje bent u er klaar. Zegt het voort.

woensdag 24 juni 2009

Donald Barthelme en Jan Jongbloed

Een week geleden typte ik ( in een recensie van een biografie van de Amerikaanse schrijver Donald Barthelme) de volgende zinnen: 'Tot Nederland is Barthelme hoe dan ook nimmer doorgedrongen. Dat Barthelme wellicht de enige buitenlandse schrijver was die in zijn fictie Nederlandse voetballers ten tonele voerde (in het verhaal ‘Concerning the bodyguard’ bespreken twee lijfwachten de vervanging van ‘Dutch goalkeeper Piet Schrijvers’ door ‘the brave Jan Jongbloed’ tijdens de wedstrijd Nederland-Peru op het WK van 1978) en dat componist Micha Hamel in 2007 Barthelme’s toneelstuk Snow White tot een opera bewerkte, hebben daaraan niets afgedaan.'





































Piet Schrijvers en Jan Jongbloed. Ach ja, wat zou er eigenlijk van ze zijn geworden, vroeg ik me een kort moment af. Maar ik was die oude voetbalhelden eerlijk gezegd alweer vergeten toen ik gisterochtend in Amsterdam-Slotermeer de apotheek binnenstapte. De klant vóór mij was een grijze man met een stevig postuur en opmerkelijk dikke, vlezige vingers. Hij frommelde wat met een recept. Mmm, bekende kop, dacht ik. Die brede mond. Heel bekend. Het zal toch niet? 'Mag ik u iets vragen,' vroeg ik toen ik mijn schroom had overwonnen, '... U heeft zo'n bekend gezicht.' Hij lachte en maakte een gebaar naar de meisjes achter de balie: 'Ach, ik kom hier al dertig jaar, iedereen kent me hier.' Die stem. Het kon niet missen. 'Bent u Jan Jongbloed?' Ja, dat klopte, dat was hij. Terwijl zijn medicijnen over de toonbank gingen vertelde ik over het wonderlijke toeval dat ik hem hier ontmoette, net nu ik een artikel had geschreven waarin zijn naam voorkwam... 'Nederland-Peru', zei ik, '... die Amerikaanse schrijver had het over de wedstrijd Nederland-Peru, tijdens het WK van 1978. Er was een grove aanslag op Piet Schrijvers en toen moest u hem vervangen.' Jongbloed glimlachte: 'Het was Nederland-Italië, de twintigste minuut, en het was wel een behoorlijke overtreding, maar Piet had het aan zichzelf te danken.' We keuvelden nog wat, de medicijnen in de hand, en nog verbouwereerd over de ontmoeting nam ik even later afscheid, zonder ook maar op het idee te komen om een handtekening te vragen of een foto te nemen om het toeval heel even over de knie te leggen. Maar goed, een aantal belangrijke lessen laten zich hoe dan ook trekken:

1) Jan Jongbloed heeft nooit van Donald Barthelme gehoord
2) In zijn verhaal ‘Concerning the bodyguard’ laat Barthelme Piet Schrijvers geblesseerd het veld verlaten tijdens de wedstrijd tegen Peru op het WK van 1978. In werkelijkheid betrof het de wedstrijd Nederland-Italië (20e minuut)
3) Piet Schrijvers had de aanslag (deels) aan zichzelf te wijten
4) Jan Jongbloed leeft en ziet er gezond uit ( en, een detail, hij heeft opmerkelijk dikke, vlezige vingers, iets dat zijn opmerking, tijdens datzelfde WK, dat hij zonder handschoenen keepte 'omdat hij anders de bal niet voelde', in retrospectief natuurlijk wel extra betekenis geeft).

woensdag 17 juni 2009

De Waarheid is te koop

Op internet worden doodleuk delen uit het fotoarchief van De Waarheid te koop aangeboden. Toen de Waarheid in 1990 ter ziele ging dachten enkele medewerkers blijkbaar dat ze beter iets mee naar huis konden nemen, als appeltje voor de dorst. Ook communisten zijn (of waren) net mensen. Het antiquariaat waar al dat moois te koop staat bevindt zich aan een Amsterdamse gracht.




dinsdag 16 juni 2009

1 mb Monet

Zie hier het paard van de boer zoals waargenomen door de <1mb lens van mijn mobieltje. Monet? Pisarro? Zeg het maar.


maandag 15 juni 2009

cameratrip - Amsterdam Noord juni 2009

Sinds de laatste keer dat ik mijn camera uit mijn handen liet vallen, is iets veranderd. De ooit kraakheldere wereld is roze geworden, op het paarse af. En, vooral dat ook, die roze wereld druipt en schuimt. Onderscheid wordt daarbij niet gemaakt. Een mens schuimt niet meer en niet minder dan een oude Opel Rekord of de hemel zelf. Geen idee wat de camera daarmee wil zeggen.








zondag 23 december 2007

Bij de opening van het uitvaartmuseum















Op de dag dat elders in Amsterdam het offerfeest losbarst, opent in een voormalige doodgraverswoning op begraafplaats De Nieuwe Ooster het Uitvaartmuseum voor de eerste keer haar deuren voor het publiek.

Ik ben de eerste klant, zo blijkt, wanneer ik om elf uur arriveer. Om dat heuglijke feit te vieren krijg ik een boekje overhandigd
en word ik door een ijverige medewerkster op de foto gezet. Goedgemutst stap ik het museum binnen. Directeur Guus Sluiter loopt voor de gelegenheid met me mee.

In de grote zaal speelt een film over veranderende uitvaartrituelen. Ik herken de straaljagers die de oude Bernhard een laatste saluut brachten. Zie even later mensen met tranen in de ogen langs de kant van de weg staan. Is het de uitvaart van Fortuyn?, vraag ik me af. Of…Cor van Hout? Het zal toch niet? Ik breng Sluiter op de hoogte van mijn twijfels. Het is Fortuyn, zo bevestigt hij. ‘Eigenlijk hadden we iemand anders willen hebben, maar die bleek onhaalbaar.’ Met Van Hout zou hij trouwens ook ‘best wel eens iets’ willen doen.

De tentoonstelling is mooi opgezet, en leerzaam is het allemaal zeker. Zo weet ik nu dat de thuisopbaring aan een opmars bezig is, en dat ook het zelf dragen van de kist weer in zwang raakt. En vanzelfsprekend is daar zo nu en dan de onvermijdelijke tegeltjeswijsheid: ‘Als mens koesteren we het leven, maar hebben we de dood nodig om het leven zinvol te maken.’ Tja.














Het is een hele industrie, natuurlijk. De uitvaartbranche bestaat niet alleen uit uitvaartverzekeraars, uitvaartondernemingen, begraafplaatsen en crematoria, zo lees ik; ook allerlei toeleveranciers leven ervan: kistfabrikanten, steenbakkers, ovenbouwers, drukkers van rouwdrukwerk. En zo zijn er nog wel wat op te noemen, want zonder lijkauto’s gaat het niet, en wat te denken van de bloemen, de eau de cologne, de koffie, de cake; als niemand meer zou sterven in dit land, zou de economie er op slag een stuk slechter voor staan.

Bij de uitgang liggen wat snuisterijen uitgesteld. Zwarte ballonnen met skeletopdruk (0,95 ct), sleutelhangers met een doodshoofd (1,85). Het pièce de resistance is een houten pennenbak in de vorm van een lijkkist (17,50). Ook de dood doet aan merchandising, zoveel is wel duidelijk.

Terwijl ze op het punt staan te vertrekken, vraag ik een echtpaar of ze een beetje van de tentoonstelling hebben genoten. Dat is het geval. Waarom zijn ze hier eigenlijk? Ach, zegt de man, die een glazen oog heeft, ‘ik zit toch in die wereld.’ De begrafeniswereld?, vraag ik voor de zekerheid. Hij knikt. Dan trekt hij zijn kraag hoog en wenkt zijn vrouw; ‘zullen we dan maar?’

zondag 16 december 2007

Concert Dave Holland, John Surman en Anouar Brahem 9 december 2007 Amsterdam


Als het concert ruim een uur onderweg is, staat ergens achter in de zaal een grijze man op. ‘Musicians?’, vraagt hij de aandacht, eerst nog aarzelend, ‘musicians?’. Hij roept het tussen twee nummers. Terwijl het applaus langzaam wegsterft, kijken een paar mensen om. ‘Musicians!’, klinkt het, wat harder nu. De muzikanten op het podium hebben het inmiddels ook door. ‘Musicians, is there nothing to explain?’

Het eenmalige Nederlandse optreden, gisteravond in het Muziekgebouw te Amsterdam, van de Tunesische Ud-speler Anouar Brahem, de Britse saxofonist/klarinettist John Surman en bassist Dave Holland werd tot het moment van de onverwachte interruptie gekenmerkt door het intense samenspel van de drie vermaarde improvisatoren. De muziek was soms lieflijk en ijl, dan weer pulserend en meeslepend, en de etherische klanken die Brahem uit zijn ud toverde vermengden zich wonderwel met het soms korzelige gegrom van Surmans basklarinet en Hollands bas.

Na enig nadenken antwoordt Surman de roepende man: ‘No, nothing!’ Het publiek lacht, en het concert gaat verder, en het kan verbeelding zijn, maar klinkt die eerste solo van Surman na de onderbreking niet nog net iets feller dan wat hij daarvoor liet horen?

Terwijl de heupwiegende ritmes weer bezit nemen van de zaal, vroeg ik me af wat die roepende man bezielde, waarom hij die vraag stelde, en naar welk soort antwoord hij eigenlijk op zoek was.

Eerder waren er al twee ‘incidentjes’ geweest. Bij de inzet van het tweede nummer was heel even, en gesmoord bijna, een klein kind hoorbaar geweest, en had iemand geschreeuwd: ‘kan dat kind de zaal uit?’.

En dan was daar nog het verzoek of het publiek na een solo misschien wilde klappen, van Surman zelf nota bene, toen het concert al een half uur gaande was.

De wonderlijke gewoonte die in de geïmproviseerde muziek sinds de jaren zeventig gemeengoed is, om muzikanten na elke solo met applaus te belonen, heeft mij altijd bevreemd. Die solo’s krijgen daardoor toch iets van een sportprestatie; alsof het een wedstrijd betreft; alsof de muzikant juist over twee meter twintig is gesprongen, en het applaus daarvoor de beloning is, maar dat even later zijn collega wel eens over de twee meter tweeëntwintig zou kunnen gaan, en dan klappen we natuurlijk nog net even iets harder. De gewoonte gijzelt de muzikanten – die zo tot onderlinge competitie worden gedwongen - én het publiek, dat wel moet klappen, omdat het anders zo sneu is.

Na Surmans verzoek werd gedurende één nummer voor elk van de solo’s geklapt, en daarna hield het publiek de handen weer gedecideerd op schoot. De zaal was blijkbaar de opvatting toegedaan dat het hier dan weliswaar improvisaties betrof, maar dat het belonen van de ‘matadoren’ met tussentijds applaus het verstilde karakter van de muziek onrecht deed.

Maar wat hebben die incidenten met elkaar te maken, en vooral, wat hebben ze met de muziek te maken? Is de roep van de grijze man een op zichzelf staande schreeuw om aandacht, of werd hij getriggered door iets in de muziek? Door de stilte in de muziek misschien, door het ingehouden karakter ervan, dat vanavond zo overweldigend was dat Surman er zelf door werd geraakt; reden dat hij om dat applaus bedelde?

Als de muzikanten voor hun toegift het podium opkomen en Surman zijn klarinet pakt zegt hij lachend: ’Just as long as I don’t have to explain anything’. Maar als me niet vergis, schuilt er in zijn lach iets van opluchting.

Sommige avonden zijn nu eenmaal bijzonder, en misschien dat de kirrende baby dat ook wel aanvoelde, want het heeft de rest van de avond geen kik gegeven.