woensdag 30 september 2009

Help, er zit een gat in de democratie

Afgelopen weekeinde verkiezingen in Duitsland en Portugal. Zie hier de opkomstpercentages door de jaren heen.

Duitsland:

2009: 70,8
2005: 77,7
2002: 79,1
1998: 82,3
1994: 79,0
1990: 77,8
1987: 84,3
1983: 89,1
1980: 88,6
1976: 90,7
1972: 91,1

Portugal

2009: 60,6 (1,75% blanco)
2005: 65,0
2002: 61,5
1999: 61,8
1995: 67
1991: 68,0
1987: 78,0
1983: 77,8
1980: 83,9
1979: 82,8
1976: 83,5
1975: 91

dinsdag 22 september 2009

Donald Barthelme and Jan Jongbloed

Some weeks ago I wrote (in a review of Tracy Daugherty’s recent biography of Donald Barthelme for NRC-Handelsblad) the following sentences: ‘In the Netherlands Barthelme somehow never managed to become very popular. This in spite of the fact that he was perhaps the only foreign writer ever to include in his fiction a number of Dutch soccerplayers (in the story ‘Concerning the Bodyguard’, two bodyguards discuss the replacement of ‘Dutch goalkeeper Piet Schrijvers’ by ‘the brave Jan Jongbloed’ in the soccergame between the Netherlands and Peru during the Worldcup of 1978).'


















Piet Schrijvers and Jan Jongbloed. Whatever happened to those old heroes, I couldn’t help but wonder for a moment. But, to be honest, I had already forgotten about them when, yesterday morning I entered the farmacy around the corner. The customer in front of me was a strongly built man with grey hair and remarkable fingers; never in my life had I seen fingers that big, that... ‘Meaty’.


















Mmm, what a familiar face, I thought, when at some point he turned around. It couldn’t be, could it? I tried to catch another glimpse of that face that was somehow so well-known to me. A face that hadn’t changed that much over the years. Finally I stepped forward: ‘Sir, may I ask you something... you have such a familiar face...’ The man smiled and turned to the girls behind the counter: ‘Ah well, I have been coming in here for so many years now, haven’t I girls? Everyone here knows me.’ That voice. As if no time had passed since the seventies. I couldn’t be mistaken. ‘You are Jan Jongbloed aren’t you?’ He nodded, that was him alright. And as the girl behind the counter handed him his pills, I told the once famous goalkeeper about the curious coincidence that I should meet him here, at this moment, just around the corner from where I live, when I had just finished writing a review in which I mentioned this American writer, and the soccergame between the Netherlands and Peru, back in 1978, and the replacement of Piet Schrijvers by himself, Jan Jongbloed, due to a terrible attack of one of the Peruvians. Jongbloed smiled, then said: ‘It happened alright, but not in the game against Peru. It was against Italy, in Cordoba it was, in the twentieth minute, and indeed it was some foul, but Piet had a part in it too, he could have avoided it.’ After that we chatted for some more time, pills and stuff in our hands, and then I said goodbye, too flabbergasted even to think about making a snapshot. Anyhow, some important conclusions can be drawn:

1) Jan Jongbloed was, until this week that is, unaware of the existence of Donald Barthelme, and thus unaware of his role in the story ‘Concerning the Bodyguard’

2) In his story ‘Concerning the Bodyguard’ Barthelme has Piet Schrijvers being replaced by Jan Jongbloed during the soccergame between Peru and the Netherlands during the World Cup of 1978. In reality it was during the game against Italy that Jongbloed replaced Schrijvers (after 20 minutes)

3) Piet Schrijvers himself was partly to blame for what happened.

4) Jan Jongbloed is still alive and looks very healthy (and, a small detail, he has big, meaty fingers, which, in retrospect, gives extra significance to his much cited remark, during that same World Cup of 1978, that he played without gloves because otherwise he wasn’t able to ‘feel’ the ball).

woensdag 9 september 2009

Barrateira

De taberna van Barrateira was een hokje van drie bij drie meter waar je Ginja (eens soort kersenlikeur) kon krijgen, en wijn van het land even verderop, goedkoop, als voor de geef. De allerarmste ploeteraars liepen er de hele dag door binnen, voor hartversterkertjes, of gewoon voor het onderhouden van de eigen beschonken staat (voorzover daar verschil tussen bestond). Barrateira trouwde tegen alle regels in op latere leeftijd voor een tweede keer – ze was toen al bijna tachtig -, en zag ook deze echtgenoot sterven. En steeds bleven haar ogen stralen, al viel er de laatste tijd soms ook iets dofs in te zien. Maar dat kan staar zijn geweest.

maandag 7 september 2009

Mr Djaby
















Lusteloos bladerend in de advertentiepagina’s van het lokale Portugese krantje, valt mijn oog op een fotootje in de rechterbovenhoek, waarop een jonge Afrikaan enigszins beteuterd voor zich uit staart. De jonge Afrikaan blijkt ‘Meester Djaby’ te heten en beweert in de bijgevoegde annonce dat hij de ‘troonopvolger van de Sjeik van het grootste spirituele centrum van Oost-Afrika' is. Meester Djaby blijkt een alleskunner die zowel het heden heelt als de toekomst voorspelt. De lijst van zijn specialiteiten is indrukwekkend. Hij is ‘snel’ en ‘efficiënt’ (twee eigenschappen kortom die Portugezen zo hardnekkig lijken te ontberen) in ‘het oplossen van conflicten, gebrek aan succes, depressies, zaken, liefde, afgunst, slechte ogen, hekserij, seksuele kilte van beide geslachten, hetzij van dichtbij, hetzij van een afstand.’ Het meeste is bekend en al eerder gedaan. Wat de hekserij in het rijtje doet zie ik niet zo; alsof de Portugezen daar nog zo zwaar onder gebukt gaan. Waarschijnlijk had hij dit er maar bij gezet omdat hij dit specialisme nu eenmaal beheerste en je tenslotte nooit kon weten. In zijn geboortedorp in Afrika had daar nog de meeste loop in gezeten, alhoewel ook ‘seksuele kilte’ het daar redelijk had gedaan. Dat hij zich, eenmaal in Portugal, gedwongen zag zijn lijst met enkele moderne ziektes aan te vullen, blijkt uit de rest van de lijst. Ook voor diabetes, darmkanker en ‘andere kanker’ draait Meester Djaby zijn hand niet om, zomin als voor ‘bloedarmoede, gonorroe en hepatitis.’ Vooral ook zegt Meester Djaby zeer bedreven te zijn in ‘het genezen van kwalen die normaal gesproken chirurgische ingrepen nodig maken.’ Een meester van de angst kortom, souteneur van klein en groot leed, waar de missionarissen Goddank weinig greep op hebben gekregen.

maandag 31 augustus 2009

een kwade winterdag op de Serra da Estrela













Mijn gastvrouw kan bij gelegenheid vreemd uit de hoek komen. Zo vertelde ze mij eens ter waarschuwing het verhaal van een gezin, ‘bestaande uit vader, moeder en dochter van zeven’, dat op kwade winterdag een reisje maakte naar de hoogste berg van Portugal, de even verderop gelegen tweeduizend meter hoge Serra da Estrela. Het weer was guur en de voorspellingen beloofden weinig goeds. Vader echter was geen zwartkijker, en besloot dat het zo’n vaart niet zou lopen. De reis werd aangevangen en na een paar uur bereikte het gezin, (‘bestaande uit vader, moeder en dochter van zeven’, zo benadrukte mijn gastvrouw nog maar eens) de top van de berg (waar schapenkaas en wollen truitjes worden uitgevent, verder is het er, zoals overal in Portugal; de weg naar de top is geplaveid met ingestorte huizen, bouwprojecten die nooit afkwamen en 18e-eeuwse ruines waarvan niemand de restauratie langer dan een kortstondig moment overwoog - de bezemwagen van de geschiedenis heeft hier halverwege rechtsomkeert gemaakt). Toen echter ging het mis. Met enorme vaart kwamen vanuit de verte donkere wolken aanzetten. Vader, zijn gedachten zoals gebruikelijk elders, zag het niet, of meende dat ook dit onheilspellende wolkendek uiteindelijk wel zou overwaaien. Zijn echtgenote, die zich zoals gewoonlijk op zijn oordeel verliet, zweeg bedrukt. Niet veel later was het gezin ingesneeuwd (‘vader, moeder en kind van zeven!’). Vader probeerde de kachel zo lang als het ging aan te houden, maar op een gegeven moment was de benzine op. Drie dagen later werd de auto gevonden. ‘Allemaal dood’, zuchtte mijn gastvrouw, ‘en het meisje was nog enig kind ook.’ Dat ik die laatste toevoeging erg grappig blijk te vinden, wekt enige argwaan, maar niet meer dan dat. Men is wel iets gewend hier, dwazen genoeg, en voor vol hebben ze mij nooit aangezien.

maandag 24 augustus 2009

G-Man Jerry Cotton



















Gevonden in mijn boekenkast: G-man Jerry Cotton - De bommen van Cassandra' (Distrigoroman nr 1964), waarin FBI-man John B. High het opneemt tegen een stel fanatici die, zich Cassandra noemend, de ondergang van New York plannen. Op pagina 1 een open brief van Cassandra gericht aan de gouverneur van New York:

'Wij klagen aan: Het Newland Concern in New York bezondigt zich tegen de mensheid! Met haar elektronische revolutie stelt het ons aanpassingsvermogen op de proef, verstoren zij het evenwicht en dwingen ons in een andere wereld, die wij niet willen! Een onpersoonlijke koude en vreemde wereld waar men aan anonieme machten overgeleverd is! Wij eisen: Terug naar de natuur! Het brein moet opnieuw uitgevonden worden! Handen af van een techniek die de mensen in de verderfenis stort! Als de politici niet tot daden overgaan, dan doen wij het zelf. Vóór wij allen de afgrond storten en ten onder gaan zullen wij ons verzetten. Ondertekend: Cassandra!

Geeft toch te denken. De slotalinea is evenzeer de moeite waard:

'Don Newland was dood, toen wij de blokhut betraden. David Damski had hem gewurgd. Apathisch zat de man met de baard op een stoel. Zonder weerstand liet hij zich arresteren. De slachtpartij bij de Duivelskreek was afgelopen. de verbijsterende balans: acht doden, twaalf gewonden. 'Ik ben nu weliswaar blind', zei David Damski, 'maar niet met blindheid geslagen.'Die mannen stierven voor een betere toekomst. In geval van nood moeten wij ons in de toekomst opnieuw verdedigen, we moeten terugslaan, met de bommen van Cassandra! Priamos was onverbeterlijk.'

EINDE

Overigens, zo leert enig gegoogle, was Jerry Cotton 'het Duitse antwoord op James Bond', en zijn er van zijn avonturen (in pulpformaat) wereldwijd zo'n 850 miljoen exemplaren verkocht. Wie de schrijver van Jerry Cotton was, werd door de uitgever lang geheim gehouden. Uiteindelijk bleek het te gaan om ene Delfried Kaufman, later bijgestaan en op den duur vervangen door een team van schrijvers: Hans E. Knpeter, Hasso Pl, P.E. Fackenheim, en vooral: Heinz Werner H.

Voor de liefhebber, zie ook het artikel van Erik van den Berg in de Volkskrant van april 2004, tgv het vijftig jarig jubileum van Jerry Cotton: http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article1226277.ece/G-man_Jerry_Cotton

Café Central 1997


















Café Central geeft elk jaar een kalender uit ter grote van een spelkaart. Aan de ene zijde staan de dagen en weken van het jaar dat nog zo pril en onbedorven, zo vol verwachting is (dit alles in tegenstelling, zo kan rustig worden gesteld, tot de gemiddelde clientèle van Central), aan de andere zijde pronkt een naakt meisje. De pin up van 1997 staat tot haar middel in een zwembad en friemelt wat aan het haar (ze maakt een staart, zo te zien, in opdracht van de fotograaf waarschijnlijk, die haar juist heeft bevolen de lippen te bevochtigen en de mond iets te openen). Enorme borsten hangen in een al te doorzichtig jurkje, dat nog het meest doet denken aan de haarnetjes die vrouwen van middelbare leeftijd en ouder in vroeger tijden wel droegen teneinde tijdens het douchen de coiffure droog te houden, hetgeen de feestvreugde natuurlijk wel enigszins tempert.