Posts tonen met het label Portugal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Portugal. Alle posts tonen

maandag 31 augustus 2009

een kwade winterdag op de Serra da Estrela













Mijn gastvrouw kan bij gelegenheid vreemd uit de hoek komen. Zo vertelde ze mij eens ter waarschuwing het verhaal van een gezin, ‘bestaande uit vader, moeder en dochter van zeven’, dat op kwade winterdag een reisje maakte naar de hoogste berg van Portugal, de even verderop gelegen tweeduizend meter hoge Serra da Estrela. Het weer was guur en de voorspellingen beloofden weinig goeds. Vader echter was geen zwartkijker, en besloot dat het zo’n vaart niet zou lopen. De reis werd aangevangen en na een paar uur bereikte het gezin, (‘bestaande uit vader, moeder en dochter van zeven’, zo benadrukte mijn gastvrouw nog maar eens) de top van de berg (waar schapenkaas en wollen truitjes worden uitgevent, verder is het er, zoals overal in Portugal; de weg naar de top is geplaveid met ingestorte huizen, bouwprojecten die nooit afkwamen en 18e-eeuwse ruines waarvan niemand de restauratie langer dan een kortstondig moment overwoog - de bezemwagen van de geschiedenis heeft hier halverwege rechtsomkeert gemaakt). Toen echter ging het mis. Met enorme vaart kwamen vanuit de verte donkere wolken aanzetten. Vader, zijn gedachten zoals gebruikelijk elders, zag het niet, of meende dat ook dit onheilspellende wolkendek uiteindelijk wel zou overwaaien. Zijn echtgenote, die zich zoals gewoonlijk op zijn oordeel verliet, zweeg bedrukt. Niet veel later was het gezin ingesneeuwd (‘vader, moeder en kind van zeven!’). Vader probeerde de kachel zo lang als het ging aan te houden, maar op een gegeven moment was de benzine op. Drie dagen later werd de auto gevonden. ‘Allemaal dood’, zuchtte mijn gastvrouw, ‘en het meisje was nog enig kind ook.’ Dat ik die laatste toevoeging erg grappig blijk te vinden, wekt enige argwaan, maar niet meer dan dat. Men is wel iets gewend hier, dwazen genoeg, en voor vol hebben ze mij nooit aangezien.

maandag 24 augustus 2009

Café Central 1997


















Café Central geeft elk jaar een kalender uit ter grote van een spelkaart. Aan de ene zijde staan de dagen en weken van het jaar dat nog zo pril en onbedorven, zo vol verwachting is (dit alles in tegenstelling, zo kan rustig worden gesteld, tot de gemiddelde clientèle van Central), aan de andere zijde pronkt een naakt meisje. De pin up van 1997 staat tot haar middel in een zwembad en friemelt wat aan het haar (ze maakt een staart, zo te zien, in opdracht van de fotograaf waarschijnlijk, die haar juist heeft bevolen de lippen te bevochtigen en de mond iets te openen). Enorme borsten hangen in een al te doorzichtig jurkje, dat nog het meest doet denken aan de haarnetjes die vrouwen van middelbare leeftijd en ouder in vroeger tijden wel droegen teneinde tijdens het douchen de coiffure droog te houden, hetgeen de feestvreugde natuurlijk wel enigszins tempert.

vrijdag 21 augustus 2009

Casa do Alentejo













In Lissabon bezocht ik jaren geleden het Casa do Alentejo, een 17e eeuwse paleisje (oorspronkelijk: Palácio Alverca) waar ooit een casino in was gevestigd en waar sinds begin jaren dertig uit de gelijknamige provincie weggetrokken boertjes elkaar ontmoetten en weemoedig het glas hieven op het dorre landschap van hun kindertijd. Ik schreef toen het volgende:

‘De deur naar de straat staat half aan. Op de bovenverdieping schijnt zich een restaurant te bevinden, maar zo vanaf de straat valt het nergens uit op te maken. Ik duw de deur verder open. Gelijk achter de deur een trap. Ik ga de trap op, open dan een tweede deur en betreed een donkere ruimte. Na enige tijd, als mijn ogen gewend zijn, zie ik dat ik mij in een claustrum bevind. In het midden van het claustrum een droge fontein. De muren en het plafond zijn betegeld met azulejos. Aarzelend zet ik een paar passen naar voren. De houten vloer kraakt. Het ruikt naar boenwas. Er is niemand. Ik pak mijn fototoestel. Dan hoor ik een geluid. Het komt ergens vanachter een van de pilaren vandaan die de wandelgang markeren. Ik knijp mijn ogen samen en zie nu een oudere man in uniform enigszins onderuitgezakt in een bureaustoel zitten. Hij speelt met een horloge. Heeft een zonnebril op. Terwijl daar in deze verduisterde ruimte toch nauwelijks aanleiding toe is. De blinde portier uit ‘Nooit meer slapen’? Ik vermoed dat hij mij aankijkt. Hij schudt met zijn vinger, heen en weer, ten hoogste drie maal, en wijst dan naar een punt ergens achter mij op de muur. Is het iets dat ik niet mag doen? Natuurlijk: het fototoestel. Ik kijk om. Nu zie ik ook het bordje. Fotograferen is verboden. Maar het is hier te donker om dat waar te nemen. Deze man zit hier dus elke dag. Zelf verborgen in de duisternis waarschuwt hij de argeloze bezoeker (die, geconfronteerd met de schoonheid van het tafereel, bij wijze van Pavlov-reactie een camera te voorschijn haalt) dat fotograferen verboden is, met zijn vinger wijzend naar het bordje waar dat op staat en dat niemand kan zien, omdat het te donker is (wat op zich natuurlijk weer de reden is dat hij er zit). En dan te bedenken dat flitsen de azulejos helemaal niet aantast. Eeuwige verwarring met UV licht dat wel aantast. Maar dat kan die man natuurlijk niet weten.’

Inmiddels (tien? vijftien?) jaar later is het Casa do Alentejo, zoals dat heet, voortvarend opgeknapt. Van het troostrijke verval dat het gebouw voorheen kenmerkte is niets meer te bespeuren. Het claustrum baadt nu in het licht. De portier is verdwenen. Om me heen toeristen met gidsjes onder de arm.

woensdag 5 augustus 2009

De man met de hoed - In Memoriam Soledade das Neves


















Begin juli schreef ik over een antieke paspop, door mij ontdekt in de etalage van een hoedenwinkel in het Portugese provincieplaatsje Fundão. 'De man met de hoed' was ongetwijfeld de meest aristocratische paspop ter wereld, beweerde ik, de pop ook met de droevigste blik. Ik schreef dat ik de winkel binnenstapte en de uitbaatster vroeg of de pop te koop was, en besloot het stukje met 'wordt vervolgd'. Van de vorige zin was het eerste deel onwaar - ik ging de winkel niet binnen en probeerde die pop niet te kopen -, en het tweede deel waar, maar dat kon ik toen nog niet weten.


















Inmiddels drie weken later blader ik wat door de lokale krant (Jornal do Fundão) en valt mijn oog op een foto van... 'De man met de hoed'. Onder de foto een groot artikel van de hoofdredacteur (Fernando Paulouro Neves) naar aanleiding van het overlijden van de uitbaatster van de hoedenwinkel, een paar dagen nadat ik er die foto nam. Soledade das Neves heette ze, zo weet ik nu, en ook dat ze op 89 jarige leeftijd stierf, en tot een paar weken geleden nog in haar winkel stond. Het was er alsof de tijd stilstond, zo schreef Neves, die zich herinnerde dat hij als kleine jongen door die winkelstraat liep en zich dan aangestaard wist door die man met de hoed (die zich dus al decennia in die etalage bevond).













De winkel zal nu sluiten, de pop zal verdwijnen. Een opkoper zal de inboedel (die oude meuk!) overnemen en die pop wellicht voor de gein in de hal van zijn eigen villa neerzetten, tot die kop hem gaat vervelen (zeg dan wat!), of die treurige ogen hem van de ene op de andere dag gaan tegenstaan, iets in hem loswoelen dat hem angst aanjaagt (Zo! - de prullenbak sluit met een klap).

Ik heb maar een open brief(je) geschreven, waarin ik de gemeente en alle denkbare publieke organisaties oproep om hun verantwoordelijkheid te nemen en de man met de hoed aan te kopen, om hem vervolgens, met gedenksteen en al in een nis in de muur te plaatsen, in de straat waar hij zich al zo lang bevond, de mensen in zich opnemend. Veel zin heeft zo'n briefje niet, maar toch.

maandag 3 augustus 2009

branchevervagende doodgravers

De firma Gonçalves en Zonen is een winkel van vier bij vier meter, gelegen aan de hoofdstraat van het dorp. Gespecialiseerd in lijkkisten lijdt het bedrijfje sinds jaar en dag een moeizaam bestaan. Aan de leefstijl van de lokale bevolking – alcoholinname, tabaksverbruik, rijstijl - ligt dat niet. Maar zoals overal trekt ook hier de bevolking weg naar de grote stad. Een ontwikkeling die de directie op enig moment heeft doen besluiten nevennerinkjes te zoeken. Niet langer legde de firma Gonçalves zich uitsluitend toe op de verkoop van lijkkisten. Hout is ten slotte hout, en van wat er bij fabricage van zo’n kist aan hout overblijft, kan nog een mooi bijzettafeltje worden gedraaid.













Of dit laatste een uitputtende is voor de branchevervagende activiteiten van de firma Gonçalves laat zich allicht betwijfelen. Maar de firma bestaat echt. En er worden daadwerkelijk lijkkisten en meubels verkocht. En dat niet alleen. Wie de winkel binnengaat, ziet dat de muur aan de achterzijde grotendeels in beslag wordt genomen door manshoge rollen tapijt. Of er een relatie is tussen het tapijt en de lijkkisten weet ik niet. Zoals ik ook niet direct zie op welke wijze de verkoop van glaswerk en servies de lijkkistenmaker synergetische voordelen oplevert of, wat dat betreft, het dealerschap van Tyrup verf (vernis voor op de kisten?).

Soortgelijke twijfel heb ik bij de kandelaars en de overige elektrische apparatuur. Natuurlijk, met kandelaars (twee-armig, verguld met een rozet van gestraald aluminium, 55,- per stuk) kan de kist bijgelicht worden op het moment dat de gepast schreiende familieleden (12 linnen zakdoeken met bloemmotief, 12,-) van over het zacht verende tapijt (hoogpolig wol, enkelsteeks, inclusief ondertapijt, 80,- per m2) naderbij komen om, begeleid door het suizend concert der ventilatoren (staand, 120,- per stuk, tafelmodel, 40,- per stuk) de overledene, die keurig gekapt (fohn, 45,- ) en geschoren (elektrisch scheerapparaat, driekops, 35,-) te neer ligt, de laatste eer te bewijzen (voordat het verval inzet en hij uiteenvalt, en zijn haar zich voor de laatste maal, in de kist en onzichtbaar voor de nabestaanden, die dan alweer andere zaken aan hun hoofd hebben, zoals de verdeling van de nalatenschap, die bij nader inzien niet veel voorstelde, en zelfs rechtuit schraal genoemd mocht worden, een weg door zijn nu koude vlees zal banen).













Als ik langs de winkel loop zie ik dat de etalage in deze zomerse dagen nog het meest weg heeft van een kerststal. Rode lampjes flikkeren aan en uit en verlichten een samenscholing van poppetjes: ik zie de kerstman, Jezus, Maria, een mannetje die een bijl hoog heft, een Pacman achtige buitenaardse strijder met laserpistool, Arnold Schwarzenegger. Het wonderlijke gezelschap is temidden van de ‘overige elektrische apparatuur’ (föhn, scheerapparaat etc) uitgestald op het uiteinde van een doodskist. De winkel is tenslotte klein, men moet roeien met de riemen die men heeft, voor piëteit (voor zover überhaupt van toepassing) is dan niet meer ruimte dan praktische overwegingen toelaten. En daar valt wat voor te zeggen.

zondag 26 juli 2009

Wat te doen met een dode dictator

Het gaat goed met António Oliveira Salazar, de dictator die in Portugal tussen 1933 en 1968 aan de macht was. Vorig jaar nog werd hij (in een televisieverkiezing) tot belangrijkste Portugees aller tijden verkozen, elke week verschijnt wel een boek waarin iemand (warme) herinneringen ophaalt aan die toch wat wonderlijke autocraat, en in april van dit jaar werd, nota bene op 25 april, de verjaardag van de Anjerrevolutie die in 1974 aan Salazar’s Estado Novo (De nieuwe Staat) een eind maakte, een nieuw grafmonument onthuld. Dat ging niet zonder tumult, maar toch. Het graf bevindt zich in het dorpje waar Salazar werd geboren, Vimieiro geheten, in de gemeente S. Comba Dão, niet ver van Coimbra. Daar wilde ik wel naar toe. Al was het alleen maar om eens te zien hoe het graf van een zich postuum oprichtende dictator eruit ziet en of er, waarom ook niet, in Vimieiro en S. Comba Dão misschien al voorzichtig, aarzelend, schoorvoetend (etc) iets van een Salazar-industrie zichtbaar wordt, bijvoorbeeld in de vorm van een museumpje, in Salazar’s geboortehuis bijvoorbeeld, desnoods met openingstijden op aanvraag.













In S. Comba Dão aangekomen, vraag ik de eerste de beste voorbijganger waar ik het geboortehuis van Salazar kan vinden (eigenlijk ben ik de eerste de beste voorbijganger, want de oude man aan wie ik het vraag hangt een beetje tegen een muur, op een manier bovendien die suggereert dat hij daar al heel lang zo tegen die muur hangt, en ook geen plannen heeft daar voorlopig verandering in te brengen, maar goed). Hoe waarschijnlijk is het dat ik die vraag stel aan iemand die vijftien jaar lang op het land van Salazar werkte, die Salazar vaak ontmoette, als deze in de zomer Lissabon verruilde voor het huis in de provincie? Toch is dit het geval. Salazar was een aardige man, zo vertelt de man, natuurlijk, en aan het eind van de werkdag kwam de dictator vaak met wijn, en dan kregen de arbeiders een glas volgeschonken, niet zo’n klein pisbeetje, maar tot de rand (er is een foto van zo’n ritueel, opgenomen in een boek van een Franse journaliste die in de jaren zestig een verhouding met Salazar had – Salazar, in donker kostuum, met hoed, schenkt de fles leeg, terwijl rond hem landarbeiders het glas hooghouden – in het midden van de foto staat een verlegen glimlachende jongen van een jaar of twintig; dat zou zomaar eens deze oude man kunnen zijn geweest). Het geboortehuis was niet moeilijk te vinden, zei de man, voor bij het station, onder het viaduct door. Maar het is compleet vervallen, waarschuwde hij. Er is weinig van over. En het is ook niet meer van de familie.













Van een heuse Salazar-industrie blijkt in S. Comba Dão geen sprake. Ok, in de boekwinkel liggen wat boekjes, en ik vind een tegeltableau met daarop het geboortehuis van Salazar. Maar misschien was dat tableau er al lang voordat het regime van de dictator ten einde kwam, en heeft men dit ene tableau vanwege onduidelijke redenen (technische onmogelijkheid?) nooit weggehaald. Ooit moet deze stad toch vergeven zijn geweest van de Salazar-straten en Salazarpleinen, van borstbeelden en muurschilderingen. Maar elke verwijzing naar de beroemdste ingezetene die de gemeente ooit had, lijkt op rigide wijze te zijn verwijderd. Afgezien van dat ene tableau dan.

























Soms kun je er nog wel iets van terugvinden. In de entreehal van de Rechtbank van S. Comba Dão is met ijzeren letters een tekst in de marmeren muur aangebracht. Het gebouw werd op 27 april 1965 officieel geopend, zo lees ik. Als ik dichterbij kom, zie ik dat onder die tekst ooit nog een regel tekst moet hebben gestaan. De gaten die de letters in het marmer maakten, zijn nog zichtbaar (marmer laat zich niet vullen, niet onzichtbaar althans). Het is niet moeilijk te bedenken wat er ooit zal hebben gestaan. Een gebouw wordt in de regel immers officieel door iemand geopend, en diens naam staat dan steevast op de eerste steen, of in dit geval, de muur. En wie zou dat anders kunnen zijn geweest dan de beroemdste ingezetene van de gemeente, die, in 1965 nog volop aan de macht, die dag toch al in de buurt was, omdat hij de volgende dag in familiekring – Salazar had enkele zussen, die nog in het ouderlijk huis woonden - zijn verjaardag zou vieren (ik speculeer maar, onwaarschijnlijk lijkt het niet). Ik vraag het de medewerkster van de VVV van S. Comba Dão. Maar die heeft geen idee. In het VVV-kantoortje sowieso geen enkele verwijzing naar Salazar. Wel prachtige oude foto’s en teksten over de rijke geschiedenis van de vredelievende gemeente etc. Hebben ze dan echt niets over Salazar?













De vrouw haalt, vanonder de toonbank, alsof het pornografisch materiaal betreft, een Delftsblauw bordje en een ingelijste tekening te voorschijn. Het bordje mag ik voor een tientje hebben. Het toont Salazar’s geboortehuis. Is het een nieuw bordje? Of, je durft het bijna niet te denken, ligt dit bordje al bijna veertig jaar onder een toonbank? Het bordje koop ik toch maar niet. Het is beter dat het hier blijft. En nadat de vrouw mij nog eens uit heeft gelegd hoe ik het beste in Vimieiro kom, het gehucht waar Salazar’s geboortehuis staat, sta ik even later dan echt voor het geboortehuis.













Zo vanaf de weg gezien stelt het niet veel voor. Het is vervallen, inderdaad. Maar, dat dan weer wel, er is een maquette geplaatst: ‘Hier werd geboren, Mr. Oliveira Salazar, een heer die regeerde en niemand bestal.’ Wonderlijke tekst. ‘Een heer’? ‘Die niemand bestal’? En wat is de precieze betekenis van zo’n maquette op een vervallen huis? Ware het niet beter geweest het huis aan te kopen en op te knappen, alvorens die maquette te plaatsen?


















Als ik aanstalten maak om van de overzijde van de straat een foto te nemen, stopt de aankomende auto, om niet voor het beeld langs te rijden. Een eerbetoon, ongetwijfeld. Maar het dak is ingestort en aan de linkerzijde kun je zo de woning binnenkijken. Alles is aan het vergaan. Ook op de begraafplaats is het eerbetoon halfhartig.













De steen die Salazar ooit zelf koos, waarop niets stond dan zijn initialen is ingeruild voor teksten die opnieuw benadrukken dat, wat je verder ook van de oude Salazar kan zeggen (er bestond tenslotte zoiets als een geheime dienst, er waren politieke gevangenen, er werd gemarteld etc), hij in ieder geval niet van het gemeen stal (iets, dat zo hoor je wel vaker hier, sinds Salazar’s verscheiden een wezenskenmerk van alle politici uitmaakt). De steen is er, en er staan zowaar verse bloemen en kaarsen, al is inmiddels ook een foto ontvreemd. Maar het graf ligt (nog steeds? Nu het verplaatst is?) toch vooral heel erg terzijde, ver weg van de andere doden, als het graf van een geliefde leproos.



donderdag 23 juli 2009

Gesteggel over de genealogie van Fernando Pessoa














In de Jornal do Fundao - het lokale krantje hier -, zijn de pagina’s twee tot en met vier gereserveerd voor zwaarmoedige overpeinzingen over de staat van de cultuur, alsmede voor bespiegelingen over schrijvers en kunstenaars. Op het eerste gezicht een troostrijke gedachte. Al blijft het de vraag of die teksten daadwerkelijk worden gelezen door de merendeels laag opgeleide boeren-abonnee’s van de krant (er staat voor hen gelukkig nog wel wat anders in ook: politienieuws natuurlijk, de opening van een nieuwe winkel of restaurant, de resultaten van de sportvereniging, en, dat vanzelf, de doodsberichten - waarover later meer). Maar goed, in de editie van een tijdje geleden stond dan toch maar mooi een groot stuk van een redacteur over de lokale wortels van Fernando Pessoa. Of het nieuws is weet ik niet. Ik geef het maar door. Pessoa is industrie tenslotte. Er zijn nogal wat mensen die hun brood ermee smeren. Wie het hele stuk wil zien, kan zich bij mij melden. De redacteur in kwestie, Arnaldo Saraiva, is met het onderzoek naar de stamboom van Pessoa hoe dan ook al een kwart eeuw bezig, zo schrijft hij, en daarbij moet het steeds weer opnemen tegen lieden die Pessoa stamboom bij voorkeur in de Algarve plaatsen. Fout dus! Althans volgens Saraiva, die overigens verder nog wel het een en ander over de zaak heeft gepubliceerd. Het begin van Pessoa, zo beweert Saraiva, vinden we bij ene Rodrigo de Cunha, een douanebeambte te Penamacor, in de streek genaamd Beira Baixa waar ook Fundao deel van uitmaakt. Deze Da Cunha was negen generaties terug de eerst getraceerde voorvader van de schrijver van Mensagem. Verder gaat het dan in het artikel met Da Cunha’s dochter Beatriz (door de inquisitie gevangen genomen in 1620), die trouwde met.. etc. De namen staan keurig onder elkaar, inclusief enkele wetenswaardigheden. De naam Pessoa duikt voor het eerst op eind 17 eeuw, dankzij Madalena Pessoa da Gouveia, uit Montemor-o-Velho (Beira Baixa), getrouwd met een klerk uit hetzelfde dorp. In de achttiende eeuw wonen en werken de verschillende generaties Pessoa’s dan in Fundao en het nabijgelegen Covilha. Pas op het eind van de achttiende eeuw gaat het definitief mis, als de opa van de opa van Fernando Pessoa (hoe zeg je dat in het Nederlands?) zich als arts in Tavira, in de Algarve vestigt. Maar dat is volgens Saraiva van efemeer belang. De wortels van Pessoa, en, dat ook, van diens metaforisch universum, liggen onvervreemdbaar in de prachtige Beira Baixa, in de omgeving van het provinciestadje Fundao.

Het mooiste woord dat het Portugees kent

De boer die hier het landgoed bewerkt (het landgoed waarop het huisje staat dat ik als vakantievierder bewoon; het land waar ik over uitkijk, waar ik de kersen van de bomen trek etc.) heeft een ongelukkig been. Het is geen vrolijke aanblik, zoals hij al kreupelend met machines zeult en bomen beklimt. Een half jaar geleden kreeg hij een ongeluk en plaatsten artsen een ijzeren plaat in zijn been. Die plaat moest er vandaag uit. ’s-Ochtends meldde de boer zich nuchter in het ziekenhuis. Hij werd ingecheckt, formulieren werden ingevuld, en daarna moest hij ergens in een wachtkamer plaatsnemen. Tegen lunchtijd was nog niemand verschenen. De boer was inmiddels misselijk van de honger. Op het eind van de middag kwam tenslotte een zuster, werd hij op een bed gelegd en kreeg hij een infuus in de arm geschoven. Zo lag hij tot de avond al flink was gevorderd en weer een andere zuster de patient ‘ontdekte’ en hem meedeelde dat er geen arts meer was. Waarna het infuus er weer uit ging, en de kleren weer aan, en de brave man met plaat en al weer naar huis hinkte, klaar voor een nieuwe dag.













Dat de medische dienstverlening hier zo nu en dan wel iets te wensen overlaat, is geen nieuws natuurlijk. Maar soms valt er ook iets te lachen. En zelfs laat zich nog wel eens een ontdekking doen. Het mooiste woord dat de Portugese taal kent bijvoorbeeld, leerde ik toen – dankzij onmatig zwembadbezoek – zich in mijn oren zoveel rotzooi had opgehoopt dat ik nog slechts gesuis hoorde. Er moest worden uitgespoten. In Nederland een routineklus die zonder problemen door het ongediplomeerde hulpje van de huisarts wordt uitgevoerd. Niet in Portugal, zo bleek. Zelfs de huisarts waakt voor een dergelijke operatie. Daarvoor moet een privaat gevestigde specialist worden geraadpleegd. Het kostte me een week om er een te vinden die zich daadwerkelijk op het adres bevond waar hij volgens de gegevens kantoor hield (meestal was de specialist net weg, of moest hij nog komen, zonder dat daarbij dagen of uren werden gespecificeerd, vaak ook was het lunchtijd, of bijna lunchtijd, of hief de medewerkster de handen ter hemel, als om duidelijk te maken dat de oplossing voor mijn probleem eerder daar dan in haar kantoor zou moeten worden gezocht, en dat ze wat betreft de arts waar ze de niet bestaande agenda voor bijhield, nu eenmaal was aangewezen op een dagindeling waarin grilligheid en willekeur de toon zette, omdat zijn bijzondere, verheven positie als medisch specialist juist in die onvoorspelbaarheid het zuiverst tot uitdrukking kwam – wanneer hij verscheen was het als een wonder, als een gunst door hem (en/of van hogerhand) verleend. En mijn specialist had overigens ook wel enige reden om zich uitverkoren te voelen, want op het bordje boven de deur van zijn kantoor stonden achter zijn naam de twintig letters die tesamen het mooiste woord van de Portugese taal vormen. Dat is niet het vervelende ‘saudade’, ‘azul’, of ‘mar’ of iets dergelijks. Nee, het mooiste woord uit de Portugese taal is: otorrinolaringologia. Een woord als een in zichzelf gekeerde paling, als een toverspreuk, als een eerbetoon aan Gina Lollobrigida. Iemand die zich in de otorrinolaringologia heeft bekwaamd, mag zich otorrinolaringologista noemen. Ook niet gek, maar toch minder (misschien omdat Gina er nu plotseling uit is verdwenen). Vertaald in het Nederlands: keel-, neus- en oorheelkunde/kundige. Oftewel, een brekebeen van een woord, met al die streepjes en afbrekingen, en daarmee, typisch Nederlands (een fysiek verschijnsel volgens mij; zo bewegen Nederlanders zich immers ook: houterig, samengesteld, theoretisch; daar waar de Portugese ledematen vloeien en dansen – otorrinolaringologia). De oren waren overigens zo uitgespoten, toen ik de specialist eenmaal te spreken kreeg. Hij raadde me nog wel aan voortaan het jaar door mijn oren met vloeibare stikstof te druppelen. Maar dat kan ik verkeerd hebben verstaan. Want voor een otorrinolaringologista was zijn dictie volstrekt bedroevend.

donderdag 9 juli 2009















Fundao, een slaperig stadje ergens in het binnenland van Portugal. In de Rua da Cale (de belangrijkste winkelstraat) overheersen de kousenwinkels en handel in ijzerwaren. Eerste gedachte: zo zou het overal moeten zijn. Dat Michael Jackson dood is valt nergens uit op te maken. De mensen deppen hun voorhoofd droog, nemen hun hoed af. In de hoedenwinkel ben ik de enige klant. Niet dat ik een hoed wil. Of tenminste, niet per se, ik wil dat hoofd. Die treurige ogen, die licht pruilende mond (is het een glimlach?). Dit moet de meest aristocratische paspop ter wereld zijn. De enige ook met een krulsnor. De uitbaatster maakt afwerende gebaren. Wordt vervolgd.